De beste sluitertijd kiezen voor een foto

DOOR Kenneth Verburg in Basiscursus

Onderdeel van de serie 1. Basiskennis
■Starten met een spiegelreflexcamera
■Diafragma, hoe werkt het
■De beste sluitertijd kiezen voor een foto
■Lichtgevoeligheid (ISO), een vergeten camera instelling
■De belichtingsdriehoek
■De beste camera instellingen
■Hoe werkt autofocus op je camera
■Hoe werkt camera witbalans

Bij fotografie staat of valt alles met licht en belichting. Per slot van rekening betekent fotograferen ‘schrijven met licht’. Te weinig licht betekent dat je detail verliest (verdwijnt in zwart), te veel licht ook (verdwijnt in wit). De sluitertijd van de camera bepaalt hoeveel licht er op de sensor valt en dus ook hoeveel detail je in een foto ziet. Maar ook hoe scherp of onscherp de foto er uit komt te zien. Sluitertijd is daarmee één van de belangrijkste elementen in de belichtingsdriehoek.

Foto’s worden gemaakt door het aanwezige licht voor een vooraf bepaalde tijd op een lichtgevoelig oppervlak te laten vallen. Vroeger was dat oppervlak film (de ASA waarde van de film bepaalde hoe lichtgevoelig het oppervlak was), tegenwoordig is dat een sensor waarbij de ISO waarde bepaalt hoe lichtgevoelig het oppervlak is.

sluitertijd[1]

Deze opengewerkte camera laat goed zien hoe het licht via de lens en de spiegel naar de zoeker wordt gestuurd. Klapt de spiegel omhoog, dan valt het licht op de sensor.

Hoe lang het licht op dit oppervlak valt wordt bepaald door de sluitertijd. In een spiegelreflexcamera zit, zoals de naam al zegt, een spiegel. In eerste instantie dient deze om het licht dat door de lens valt in de zoeker te laten zien zodat je een compositie kunt maken en de belichting kunt instellen. Op het moment dat de foto zelf gemaakt moet worden wordt de spiegel omgeklapt voor de tijdsduur van de ingestelde sluitertijd, en vervolgens klapt deze weer terug. Dat is het typische klik-klak geluid wat je hoort.

Deze video van James Pearman laat goed zien wat er gebeurd als de sluiterknop wordt ingedrukt. De spiegel klapt op om het licht van de lens op de sensor te kunnen laten vallen, de twee lamellen die de echte sluitertijd bepalen schuiven razendsnel van boven naar beneden.

De sensor is erg lichtgevoelig, de sluitertijd is daarom vaak maar heel kort, fracties van seconden. Sluitertijd wordt uitgedrukt in waarden zoals 1000, 640, 250, 20 etc. Dit betekent eigenlijk 1/640 seconde, 1/250 seconde, etc. Hoe hoger het getal, hoe sneller de sluiter weer dicht gaat en hoe minder licht er op de sensor valt.

Lichtmeter

Er is niet één ‘juiste sluitertijd’, de benodigde sluitertijd – om een goed belichte en niet bewogen foto te krijgen – wordt bepaald door de hoeveelheid aanwezig licht in een scène, de opening van het diafragma en het gewenste effect. De sluitertijd hoef je niet te gokken, daar helpt de ingebouwde lichtmeter van de camera bij.

In bijna elke stand op de camera, behalve de automatische stand, zie je als je de sluiterknop half indrukt (er zit wat weerstand voordat je hem helemaal doordrukt en hij een foto maakt) een balkje met een verticaal streepje eronder (bij spiegelreflex in de lens, bij compact camera’s vaak op het scherm). Dit streepje geeft aan of de lichtmeter van de camera vindt dat de foto precies goed (gemiddeld 18% grijs in het beeld, streepje staat in het midden), onderbelicht (streepje aan de linkerkant van het midden) of overbelicht (aan de rechterkant van het midden) is. Over het algemeen geldt dat hoe duurder de camera is, hoe beter hij dit kan inschatten. Hoewel ook de toppers miskleunen afhankelijk van de omstandigheden en intentie van de fotograaf.

Omdat de camera altijd belicht op gemiddeld 18% grijs in de foto krijg je over het algemeen foto’s die redelijk wat details laten zien in de donkere delen en ook redelijk wat detail laten zien in de lichtere delen van de foto (wel afhankelijk van je onderwerp en het aanwezige contrast). Maar hierdoor loop je ook het risico’s dat de mooie kleuren (bijvoorbeeld bij een zonsondergang) wat onderdrukt worden. Dit betekent dat zwart minder zwart wordt en wit minder wit.

Dit is ook de reden waarom je bij foto’s met sneeuw bij perfecte belichting (volgens de lichtmeter van de camera) vaak ziet dat de sneeuw een beetje grijs wordt weergegeven (en blauw, maar dat is een onderwerp voor een volgende keer).

waaghdr_fotosinlightroom[1]

Oeps, deze foto was onderbelicht waardoor er een blauwe gloed over de foto kwam. Door de belichting +1,75 stop te doen en een wit punt in de foto te selecteren worden de kleuren weer zoals ze er in het echt uitzagen.

Op de automatische stand zal de camera altijd op zoek gaan naar gemiddeld 18% grijs in het beeld. Dit is in de meeste gevallen ook de juiste belichting, de camera heeft een uitgebreide database van voorkomende situaties en schat aan de hand daarvan de juiste belichting in. Maar het kan toch lonen om zelf de belichting in te stellen of bij te stellen om meer controle uit te oefenen over de foto. Dit kan door te kiezen om iets onder te belichten of juist over te belichten afhankelijk van de situatie. Controleer de handleiding van de camera om te zien hoe je dat voor jouw camera kunt doen.

Zelfs hiermee kun je al hele creatieve effecten bereiken. Bijvoorbeeld als je een zonsondergang fotografeert met een boom voor je in het beeld (een tegenlicht situatie) en je mikt eerst op de lucht om het licht te meten, je zorgt er voor dat hierop de sluitertijd wordt afgesteld en vervolgens maak je een compositie met de boom in beeld, dan zul je zien dat de boom sterk wordt onderbelicht (want je hebt de sluitertijd aangepast op fel licht) en krijg je een silhouet van de boom.

2252184957_19559f95de[1]

Belichting ingesteld op de lucht, zodat het onderwerp als silhouet wordt weergegeven

Onder-/overbelicht

Voor het meten van het licht maakt het dus wel uit waar je de lens op richt. Als je op een donker vlak richt om het licht te meten zal de camera het donkere deel naar het grijze midden willen halen, mik je op een licht stuk dan maakt hij juist het lichte deel neutraler grijs. Dit betekent dat als je een foto neemt waarin een groot donker vlak en een groot licht vlak voorkomt, zowel in de lichte als donkere delen minder details zichtbaar zullen zijn. Een camera kan minder contrastverschil vastleggen dan het menselijk oog kan waarnemen. Het dynamisch bereik is beperkt.

waaghdr_fotosinlightroom[1]

Drie foto’s met verschillende belichtingen

Dit krijg je bijvoorbeeld als je een kerk met een donkere kant in de schaduw en een felblauwe lucht op de foto wilt zetten. Het blauw trekt dan veel meer naar het wit, omdat er veel meer licht op de sensor moet vallen om het donkere deel met genoeg detail weer te geven. Er zit dan te veel verschil tussen donker en licht, dit verschil kan de (digitale) camera niet overbruggen, waar onze ogen dit wel kunnen.

Je kunt er dan voor kiezen om de foto te onder- of overbelichten. Je kiest hiermee dan voor het lichte (onderbelichten) of juist voor het donkere deel (overbelichten). Je kiest er dan voor om het donkere deel donkerder te maken of het lichte deel lichter. Dat is een artistieke keuze. Maar soms kan het ook helpen als je het licht meet op het lichte deel en vervolgens dat iets overbelicht zodat je donkere deel gedetailleerder wordt. Je kunt hiermee proberen om een zo goed mogelijk evenwicht in de foto te krijgen qua belichting.

Tenzij je natuurlijk juist veel contrast wilt hebben, zoals deze foto genomen in Leiden. Hier heb ik het licht gemeten in de lucht en omdat het stadhuis van Leiden vanaf deze kant helemaal in de schaduw lag zag je bijna geen detail meer in de originele foto. Door het contrast in een beeldbewerkingsprogramma nog net iets sterker te maken is zelfs al het detail verdwenen.

260059136_12c5740e19[1]

Door de belichting in te stellen op de lucht verdwijnt al het detail uit
het stadhuis van Leiden

Onder- of overbelichten wordt uitgedrukt in “stops”. Op de lichtmeter balk staat een -2, -1 0 +1 en +2 waarde. +1 Betekent 1 stop overbelicht. Vaak ga je bij onder- of overbelichten naar de hele waarden toe op de lichtmeter balk. Bijvoorbeeld bij sneeuw is het vaak nodig om 1 stop over te belichten. Dus je stelt de sluitertijd bij totdat het lichtmeter streepje bij de +1 staat. Er valt dan meer licht van de witte sneeuw op de sensor zodat het wit wit blijft en niet meer naar het neutrale grijs trekt.

Veel fotografen onderbelichten standaard 1/3 stop (eerste streep links van het midden) om er voor te zorgen dat de witte delen net genoeg detail vasthouden en niet overbelicht worden, hoewel er ook mensen zijn die zeggen dat je bij het fotograferen in RAW formaat juist moet overbelichten, omdat het in de nabewerking makkelijker is details uit de lichte delen te halen dan uit de schaduwen.

Stilhouden

Hoe langer de sluitertijd is, hoe meer risico je loopt dat de foto bewogen is. Je moet namelijk de camera stil houden zo lang er licht op de sensor valt. Wordt de sluitertijd te lang, dan wordt de foto onscherp door de beweging in je handen als je de camera niet op een statief hebt staan.

Een ezelsbruggetje, om tot op zekere hoogte een scherpe foto te kunnen garanderen, is dat 1 gedeeld door de focale lengte van de lens de minimum sluitertijd is. Dus, als je met een 70-300mm zoomlens op 200mm fotografeert, dan moet je sluitertijd ruwweg 1/200s zijn om een beeld zonder onbedoelde bewegingsonscherpte te kunnen garanderen. De dichtstbijzijnde sluitertijd is dan 1/250s. Dit geldt zowel voor camera’s met een crop sensor (met een verlengingsfactor van de focale lengte van 1.5x, 1.6x of 2x) als voor camera’s met een full-frame (35mm) sensor.

Tot ongeveer 1/60s-1/30s kun je een lens meestal nog handmatig stil houden (ligt een beetje aan je techniek en hoe jong je bent), daarna is een stabiele ondergrond aan te raden. Met een 12mm lens heb je dus niet gegarandeerd scherpe beelden met een sluitertijd van 1/15s. Het kan wel, ik heb een paar foto’s onder donkere omstandigheden die scherp zijn, maar het is geen standaard gegeven.

Je kunt er voor zorgen dat met een relatief langzame sluitertijd de foto’s toch scherp worden door jezelf of de camera tegen een muur aan te drukken of de camera op een muurtje of een prullenbak te plaatsen. Als je snel drie foto’s achter elkaar neemt door de sluiter ingedrukt te houden is de middelste foto vaak scherp. Zo is onderstaande foto tot stand gekomen:

langesluitertijd[1]

Vuurwerk met een sluitertijd van 1/13s geschoten, maar toch onbewogen

Zoals je ziet, vooral met zoomlenzen met weinig licht wordt het een lastig verhaal foto’s te nemen met de camera in de hand. Gelukkig hebben camerafabrikanten hiervoor de beeldstabilisatie techniek ontwikkeld. Hulpmiddelen als Image Stabilisation (IS, Canon) of Vibration Reducation (VR, Nikon) op lenzen kunnen helpen om toch iets af te wijken van dit ezelsbruggetje.

Soms is bij gebruik van beeldstabilisatie wel 2 tot 3 licht stops winst te behalen, wat bij 1/250s zou betekenen dat je op 1/250s > 1/125s > 1/60s ook nog scherpte resultaten zou kunnen behalen. Je betaalt er echter wel een prijs voor, de lens is duurder en zwaarder.

Sommige camera’s (alle Sony Alpha camera’s en verschillende Olympus en Pentax camera’s) hebben beeldstabilisatie standaard ingebouwd zitten om zich te onderscheiden van marktleiders Canon en Nikon. Dit betekent dat de genoemde nadelen voor deze camera’s en lenzen niet gelden en dit maakt deze merken voor veel mensen interessant.

Sluitertijd verlengen of verkorten

Afhankelijk van de benodigde sluitertijd – voor een correcte belichting en om onscherpte door beweging tegen te gaan – en je creatieve keuze heb je een snelle(re) of langzame(re) sluitertijd nodig.

De sluitertijd wordt grotendeels bepaald door het aanwezige natuurlijke of kunstmatige (flits) licht. Afhankelijk daarvan kun je aanpassingen doen om tot de gewenste sluitertijd te komen. Als de sluitertijd te lang is om een onbewogen foto te krijgen, dan kun je er bijvoorbeeld voor kiezen de ISO waarde te verhogen of het diafragma verder te openen (lager f-getal, bijvoorbeeld f/4 in plaats van f/5.6) om meer licht op de sensor te laten vallen.

sluitertid_langesluitertid[1]

Er was niet veel licht, maar ik heb er toch voor gekozen een dicht diafragma (f/22) in te stellen om een langere sluitertijd te krijgen voor het opnemen van lichtstrepen in het beeld

Is er juist te veel licht – bijvoorbeeld midden op een warme zomerdag – dan kun je er juist voor kiezen om het diafragma verder te sluiten (een hoger f-getal, bijvoorbeeld f/8 in plaats van f/5.6) of indien je dan te veel scherptediepte krijgt een polarisatiefilter of grijsfilter voor de lens te plaatsen om minder licht op de sensor te laten vallen.

Alle instellingen op de camera hebben invloed op elkaar, ze vormen de belichtingsdriehoek.

Wil je je niet bezig hoeven houden met ISO en diafragma, maar wel creatief willen werken met de sluitertijd, dan kun je gebruik maken van de sluitertijdprioriteit stand op de camera (Tv bij Canon of S bij Nikon). Je stelt dan een voorkeur in voor de sluitertijd, de camera zorgt er voor dat het juiste diafragma en eventueel ook de ISO waarde er bij wordt gezocht om deze sluitertijden ook mogelijk te maken.

Beweging

De sluitertijd bepaalt dus in grote mate of een foto bewegingonscherpte te zien geeft. Er zijn echter ook bedoelde effecten van bewegingsonscherpte, bijvoorbeeld het vastleggen van een snelle auto of snel stromend water in een waterval. Je kunt daarmee meer dynamiek in je foto brengen.

rallyalmere[1]

Meebewegen met de auto (panning) geeft een onscherpe achtergrond. Kies een sluitertijd rond de 1/100s zodat de autowielen niet stilstaan, maar beweging suggereren.

Bij een snelle auto wil je de auto scherp vastleggen, maar de achtergrond mag best onscherp zijn. Door mee te bewegen met de auto en een relatief langzame sluitertijd te kiezen verandert de achtergrond in strepen die beweging suggereren. Bij een waterval geeft een lange sluitertijd het water een mistachtig effect waardoor de stroming van het water duidelijk in beeld wordt gebracht.

stromendwater[1]

Door een hoog diafragma getal te kiezen (f/22) werd de sluitertijd teruggebracht tot 1.5s,
waardoor het stromend water dynamischer kon worden vastgelegd dan met een snelle sluitertijd.

Ook met stilstaande voorwerpen kun je toch een dynamische foto maken, zoals onderstaande foto waarbij ik tijdens het indrukken van de sluiterknop ook aan de zoomknop draaide. De sluitertijd van 1/15s zorgt er voor dat de beweging wordt vastgelegd.

sluitertijd_zoom1[1]

Met de sluitertijd kun je meer creatieve effecten bereiken. Bijvoorbeeld door er voor te kiezen de sluitertijd te verlengen zoals bij onderstaande foto van een windmolentje:

sluitertijd_windmolentje[1]

Een lange sluitertijd toont de snelle beweging van het windmolentje in de wind

Of door er juist bewust voor te kiezen de sluitertijd snel te maken en niet mee te bewegen met een sporter om het sportevenement of een andere manier te laten zien.

Door de sluitertijd niet af te stellen op de sporter, maar juist op het publiek vertel je een verhaal met de foto

Sluitertijd is een enorm belangrijk element in de belichtingsdriehoek voor het bepalen van het uiteindelijke resultaat van de foto. Een ideale belichting hoeft niet altijd het beste te zijn voor de foto, soms is onderbelichten of overbelichten beter. Aarzel niet om verschillende belichtingen te proberen, bekijk wat het beste resultaat geeft en leer ervan voor toekomstige situaties.